Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!
The Pond Library
The Pond Library > Waterdieren > Geelgerande watertor

Geelgerande watertor

Een felle beet in onze vinger tijdens het opruimen van een teveel aan planten doet ons opschrikken. Het is een grote bruinolijfgroene kever met gele randen die de boosdoener blijkt te zijn, een geelgerande watertor. Neen, het is echt geen lieverdje, maar toch wordt hij door de wetgevers beschermd want hij is bedreigd.

Waterroofkevers, ook zwemtorren genoemd

Tegenwoordig is men het er vrijwel algemeen eens dat de watterroofkevers ( Dytiscidae ) loopkeverachtige voorvaders moeten gehad hebben. In onze streken komen meer dan 100 soorten voor, variërend in grootte van 2 mm tot meer dan 4 cm.

Zwemtorren komen in de meest uiteenlopende stilstaande en stromende watertypes voor. Aan hun lichaamsbouw is te merken dat zij zeer goed aangepast zijn aan het leven in water. Hun afgeplatte lichaam heeft geen uitsteeksels (zoals doorns) die weerstanden zouden veroorzaken tijdens de voortbeweging. De kop is teruggetrokken in de pro-thorax, waardoor het lichaam een gladde omtrek krijgt. De kop sluit met haar achterrand nauwkeurig aan op de voorrand van de dekschilden. De halfbolvormige, grote facetogen steken niet buiten de omtrek van het lichaam uit. Deze lichaamsomtrek is schuitvormig. Gans het lichaam is ingevet met een olieachtige secretie die water afstoot. Talrijke huidklieren scheiden deze secretie af.

De waterroofkevers behoren tot de beste zwemmers onder de ongewervelde zoetwaterdieren . De achterpoten zijn voortreffelijke zwempoten. De leden ervan zijn breed en afgeplat en voorzien van dicht oppen staande zwemborstels zodat ze veel water kunnen verzetten. De poten worden bij het zwemmen steeds gelijktijdig achterwaarts geslagen.

Geelgerande waterkevers onderscheiden zich van gewone waterkevers door een duidelijke gele rand rond het schild. De buikzijde is geel of bijna geel. De aanhangsels van de achterheupen (onderzijden) zijn kort toegespitst. Dytiscus marginalis is algemeen voorkomend in België en Nederland. De geelranden roeien nog in tamelijk grote aantallen rond in stilstaande wateren. Vooral dichtbegroeide sloten, poelen en vijvers dragen hun voorkeur.

geelgerande watertor2

Lucht

Bij het lucht halen hangen de waterroofkevers met hun achterpoten en het uitende van het achterlijf aan de waterspiegel. Hierbij worden de achterpoten in voorwaartse richting naar boven gestoken en breken de klauwen de oppervlaktehuid van de waterspiegel. Vervolgens buigen de kevers hun laatste achterlijfsegmenten ietwat naar beneden. Er ontstaat zo een spleet tussen deze segmenten en de dekschildranden. Hierlangs kan verse lucht binnenstromen naar de beide laatste, op de rug liggende stigma”s van het tracheeënstelsel. Van hieruit komt de lucht later, door de andere, eveneens op de rug gelegen stigma”s terecht in de ruimte tussen de vleugels en het achterlijf.

De lucht dient niet alleen voor de ademhaling maar is ook van belang voor de hydrostatische eigenschappen van de dieren, die steeds bezig zijn om hun specifieke gewicht gelijk te maken aan dat van water. In de winter bij ijs, kunnen watertorren geen lucht gaan halen aan het oppervlak en dan gebruiken zij een alternatieve manier om zich van zuurstof te voorzien. De kevers laten dan op geregelde tijdstippen de lucht aan het uiteinde van het achterlijf als een luchtbel naar buiten uitpuilen. Na enige seconden wordt deze weer naar binnen getrokken. In dat paar seconden dringt zuurstof uit het zuurstofrijke water binnen in de zuurstofarme luchtbel. Omgekeerd wordt koolzuur uit de luchtbel in het water opgenomen. Omdat de kevers zich in deze koude tijd in een soort ruststadium bevinden is hun zuurstofverbruik laag.

Op leven en dood

Geelgerande watertorren zijn vervaarlijke rovers die hun prooi met de voorpoten vastgrijpen en deze dan met hun monddelen fijnkauwen. Geelgerande watertorren eten enkel vlees en zijn geduchte, agressieve jagers. Wormen, dikkoppen, libellenlarven en andere insecten staan op het menu. Zelfs grote vissen worden aangevallen en gekwetst. Hele stukken vlees kunnen uit de vis gerukt worden. Kleinere dieren worden in hun geheel ingeslikt. Geelgerande watertorren zijn rovers van formaat. Eens ze een prooi beethebben laten ze die niet meer los. Hengelaars weten dat. Een geelgerande watertor die bijvoorbeeld een aan de hengelhaak gepriemde regenworm vastgegrepen heeft laat deze niet meer los, ook al wordt hij uit het water getrokken. Hebben is hebben, op gevaar van eigen leven.

Wanneer ze veel honger hebben vallen de geelranden elkaar aan. Een keihard gevecht is het gevolg. De een tracht bij de ander het pantser te doorboren en zo dodelijke verwondingen toe te brengen. Wanneer dat gelukt is kan de lugubere kannibalenmaaltijd beginnen.

geelgerande watertor

Uitputtend liefdesleven

Men kan de voortplanting van najaar tot de lente gadeslaan. Mannetjes en wijfjes paren bij herhaling met verschillende partners. De voorvoeten van het mannetjes zijn omgebouwd tot zuignappen. Hiermee klampt hij zich aan het vrouwtje vast De gemeenschap kan uren, zelfs dagen duren. Het mannetje gaat ondertussen lucht halen terwijl het vrouwtje daar nauwelijks gelegenheid toe krijgt. Na de paring is het vrouwtje zo verzwakt dat het om lucht te gaan halen ondersteund wordt door het behulpzame mannetje. Wanneer men het mannetje op dat ogenblik verwijdert kan het vrouwtje stikken omdat ze niet voldoende kracht meer heeft om op eigen kracht tot het wateroppervlak te raken.

De eieren, een tweehonderdtal, worden onder het wateroppervlak afgezet in zachte, levende plantenstengels. Uit deze eieren komen tot in de voorzomer de larven. De larven zijn langgerekt, naar beide einden versmald. Ze hebben lange poten met elk vijf leden. De larven hebben opvallend gevormde monddelen. De bovenkaken zijn uitgegroeid tot gebogen, holle dolken. Langs de binnenzijde van deze dolken loopt een volledig afgesloten groef, waardoor een zuigkanaal ontstaan is dat in de kop rechtstreeks in verbinding staat met de slokdarm. De overige monddelen echter zijn volledig gedegenereerd. Door de te nauwe mondspleet kan wellicht geen voedsel meer worden opgenomen. De larven zijn erg vraatzuchtig en doorboren hun prooi met hun scherpe bovenkaaktangen. Via de holle mandibels vloeit er een geelbruine vloeistof uit de middendarm naar het slachtoffer. De erin aanwezige fermenten (enzymen) verlammen en doden de prooi en lossen de inwendige organen op tot een vloeibare brei. De torrenlarve verteert haar voedsel dus eigenlijk buiten haar eigen lichaam en hoeft dit alleen nog maar via de kanalen van de bovenkaken op te zuigen. Het vel van de prooi blijft achter als herinnering. De larven zijn onverzadigbaar. Met slangachtige bewegingen kruipen ze voort, op zoek naar een volgend slachtoffer.

De volgroeide larven kruipen in de vroege herfst op de oever, waar zij een holletje graven in de grond en er zich verpoppen. Na 8 tot 14 dagen kruipt de volgroeide kever uit de pop. Eerst is hij nog zacht en helgeel van kleur. Vlug begeeft hij zich naar het water.

In onze vijver

Zowel larven als kevers zijn felle vleeseters. Ze vallen kikkers, salamanders en vissen aan. Aas wordt niet versmaad en ook voedertabletten worden gegeten. De larven hebben bovendien sterk kannibalistische neigingen. Men kan ze gemakkelijk voeden met regenwormen. De volwassen dieren en de larven horen tot de gevaarlijkste lagere waterdieren in onze inheemse wateren. Een larve kan tot 20 dikkopjes per dag eten en dat gedurende een periode van 5 à  6 weken. Het zijn echte killers, die larven met hun lugubere, platte grote kop. Als wandelende vijvermoordenaars trekken ze een dodelijk spoor door de poel.

Dytiscus marginalis 4, Geelgerande waterkever, larva, Saxifraga-Pieter van Breugel

Verdient toch bescherming

Toch hebben de geelgerande watertorren recht op bescherming. Deze watertijgers vormen een echte gezondheidspolitie in de tuinvijver en vallen meestal alleen zieke en verzwakte dieren aan. Onze geelgerande watertor is bovendien een vrolijke, van zon en warmte houdende en graag zwemmende kever die liefst vertoeft in de ondiepe zones (5 à  30 cm) met veel plantenbegroeiing. Men moet dus zeker niet panikeren wanneer men deze kever in zijn tuinvijver ziet.

Laurence Foret

Voeg een reactie toe