The Pond Library
The Pond Library > Visziekten > Uitwendige anatomie van een vis

Uitwendige anatomie van een vis

Als liefhebber van vissen is het toch belangrijk dat we op de hoogte zijn hoe de vis in elkaar zit. Welke organen heeft een vis, waarvoor dienen ze en waar kunnen we ze vinden. Het is niet alleen interessant kennis te hebben van de opbouw van een vis het is ook noodzakelijk om diagnoses te stellen als zich visziekten voordoen.


In twee artikels “Uitwendige anatomie van een vis” en “Iinwendige anatomie van een vis” bespreken we in grote lijnen hoe de vissen zijn opgebouwd en waarvoor de organen dienen. In andere artikels zullen we dieper ingaan op bepaalde organen en hun werking.
Dit artikel geeft een opsomming en bespreekt de uitwendige organen van een vis

Mond

Dient uiteraard voor het opnemen van het voedsel maar ook voor het opnemen van water waarin het belangrijke, levensnoodzakelijke zuurstof aanwezig is dat door de kieuwen wordt verwerkt. Aan de manier waarop de vis voedsel opneemt, kunnen we ongeveer de gezondheid van een vis bepalen. Bij koelere perioden zullen de vissen minder trek hebben en zullen ze ook trager zwemmen.

Kieuwdeskels

(nr 2) bevinden zich aan beide kanten van de kop en worden bezet met talrijke kieuwplaatjes. Als de vis de bek opent, stroomt er zuurstofrijk water naar binnen. Het water wordt over de kieuwen naar de kamer achter het kieuwdeksel gepompt (= inademen). Wanneer er water over de kieuwplaatjes stroomt, neemt het bloed in de haarvaten zuurstof op uit het water en geeft koolstofdioxide af. Het water stroomt in tegenovergestelde zin over de plaatjes als het bloed in de plaatjes. Bij uitademen vloeit het zuurstofarme water langsheen de kieuwplaatjes weg als de vis zijn bek sluit. Dit water wordt door een opening achter het kieuwdeksel naar buiten gestuwd. Bij steur zijn deze kieuwen het minst ontwikkeld.

De ogen

(nr 18) De ogen van vissen hebben geen oogleden waardoor ze staren in het water. Ze kunnen zowel zijdelings als naar boven en onder kijken op hetzelfde moment. Aan de ogen kan men zien of een vis al dan niet gezond is. De ogen mogen niet ingevallen zijn en moeten helder staan. De steur is zo goed als blind. De ogen zijn een kwetsbaar deel omdat ze niet worden beschermd.

De schubben

De schubben maken onderdeel uit van de driedelige lichaamswand van een vis.

  • Buitenste deel: de slijmhuid. De belangrijkste beschermlaag bij vissen. Deze huid biedt bescherming tegen bacteriën, virussen en parasieten en kan aangetast worden door stress, aanraking met voorwerpen of door slechte watercondities (hoge PH). Door deze slijmlaag voelen vissen zo glibberig aan. Is dit niet zo, dan is er iets mis. Een vis kan ook teveel slijm produceren en dit kan dan wijzen op een aantasting door een ziekte.
  • Middelste deel: de schubben. Schubben zijn reeds vultallig bij de vissen en groeien mee met de vis. Ze zijn doorzichtig en overlappen elkaar. De schubben liggen plat tegen het lichaam, is dit niet zo dan moeten we denken aan ziekten zoals opstaande schubben en waterzucht.
  • Onderste deel: de eigenlijke huid met kleurcellen. Deze bepalen het uiterlijk van de vis, de kleur, de kleurpatronen,…. Hoe beter de vis zich voelt, hoe meer deze kleurcellen uitzetten en hoe vuller de kleur eruit ziet. Is de huid daarentegen troebel en wordt hij bleker, dan wijst dit op een ziekte.

De neus

(nr 10) De neusgaten (één aan elke kant) komt vlak achter de ogen. De neusgaten bevatten zintuigcellen die te vergelijken zijn met de smaakpupillen op onze tong. Om geuren waar te kunnen nemen zijn deze zintuigcellen via het zenuwstelsel verbonden met de hersenen.

De baarden

(nr 1) Enkele vissen hebben aan de mond baarden. Deze baarden dienen om het voedsel te zoeken en te keuren. Van nature uit hebben alle vissen die op de bodem op zoek gaan naar voedsel zulke baarden. Koi en steur zijn mooie voorbeelden van vissen met baarden.

De vinnen

Vinnen zorgen ervoor dat vissen stabiliteit kennen in het water en dat ze ook kunnen bewegen in het water. Aan de vinnen kunnen we zien of een vis al dan niet gezond is. Ligt de rugvin langdurig plat of is de staartvin samengeknepen of rafelig, dan mogen we er zeker van zijn dan onze vis ziek is. De vinnen moeten mooi gespreid staan en moeten mooi doorlopen zijn met bloed.

  • De rugvin (nr 11) is de belangrijkste vin van de vis. Met deze vin houdt de vis zich mooi rechtop in het water waardoor hij niet gaat rullen. De rugvin kan plat gelegd worden om zo een grotere zwemsnelheid te halen.
  • De buikvinnen (nr 14) zijn de besturingsorganen van de vis. Met de buikvinnen kan een vis naar links of rechts zwemmen maar ook naar boven of beneden. Niet iedere soort vis heeft deze vin.
  • De aarsvin (nr 15) zorgt van stabiliteit in het water en zorgt er ook voor dat de vis niet gaat rullen.
  • De staartvin (nr 16) geeft de mogelijkheid om de vis naar links of naar rechts te laten zwemmen. De staartvin kan vergeleken worden met een roer. De vorm en oppervlakte van deze vin bepaalt de snelheid waarmee de vis kan zwemmen. Hoe kleiner de staartvin, des te sneller de vis.
  • De borstvinnen (nr 17) bevinden zich achter de kieuwdeksels(nr 2). Zij verplaatsen enorme hoeveelheden water. Hiermee kan de vis zich voortbewegen naar voor, stoppen en naar achter. Bij karperachtigen dienen de borstvinnen ook om op de bodem naar voedsel te woelen.

Aars

(nr 23)

Ief De Laender

Ief De Laender is webmaster en stichter van deze site en werd geboren in 1973. Studeerde af als tuinbouw technicus aan de land en tuinbouwschool in Sint-Niklaas en is sinds 1992 werkzaam in de tuinaanleg sector.

Voeg een reactie toe